| Balans
opgravingen in 2004.
1.
Kasteelstraat
Naar aanleiding van een geplande nieuwbouw
in de verkaveling Kasteelstraat kon een
gedeelte van de voormalige stadsgracht gesitueerd
worden. Deze gracht vormt ter hoogte van
de kasteelsite in feite ook de buitenste
omheiningsgracht van het kasteel vermits
hij er omheen loopt en door een aarden wal
van de binnenste kasteelgracht werd gescheiden.
Van de gedempte stadsgracht bleef een smalle
en diepe, rechtlijnige gracht als relict
bewaard in het landschap. Bij controle voorafgaand
aan de bouwactiviteiten werd de noordelijke
oever aangesneden op ca. 3m afstand van
de bestaande gracht.
2.
Kloosterstraat 7
In de tuin van de woning gelegen op de hoek
van de Kloosterstraat en de Kasteelstraat
kon, op vraag van de eigenaars, een gedeelte
van een bakstenen constructie worden onderzocht.
De aanleiding vormde de aanleg van een werkput
voor een septische put en afvoerleidingen.
Parallel met de Kloosterstraat kon een bakstenen
muur (gele en rode bakstenen 21/22x10/11x5/5.5cm)
over een lengte van 5.70m geregistreerd
worden. De muur was tot op 30cm onder het
gazon bewaard en had een dikte van 0.30m.
Van het opgaande metselwerk in het traditionele
Vlaamse verband waren nog maximaal 4 lagen
bewaard. In het oosten was haaks tegen de
muur een overwelfde beerput aangelegd met
een vastgestelde lengte van 5.25m die echter
doorliep in de richting van de Kloosterstraat.
Aan de hand van de opvulling bleek dat de
beerput in gebruik bleef tot in het tweede
kwart van de 20ste eeuw. Vermoedelijk werd
de constructie gedempt met de heropbouw
van Middelburg na de vernieling van W.O.II.
Dergelijke beerkelders zijn geen uitzonderlijk
gegeven in woningen uit de periode 15-17e
eeuw, ze worden echter vooral bij huizen
van het stadstype aangetroffen.
De waarnemingen
in de Kloosterstraat 7 wijzen erop dat onder
zowat elk huis in Middelburgse dorpskom
resten van laatmiddeleeuwse constructies
aanwezig kunnen zijn. De Kaart van Van Deventer
(1550) toont overigens op de plaats waar
nu woning nr. 7 staat reeds een stenen gebouw.
Sommige moderne gebouwen rusten met hun
fundering zelfs nog op hun veel oudere voorgangers.
Het onderzoek toont verder aan dat zelfs
kleine bodemingrepen toch interessante vaststellingen
kunnen opleveren.
 |
 |
3. Kasteelsite
Het archeologisch
onderzoek in 2004 spitste zich volledig
toe op het noordoostelijke gedeelte van
het kasteeldomein. Het zuidoostelijke gedeelte
werd reeds tussen 2002 en 2003 onderzocht.
Doordat het deel van het kasteeldomein gelegen
aan de noordelijke zijde van de Kasteelstraat
(zone tramstation) door een nieuwe verkaveling
bedreigd wordt, werd gestart met een grootschalige
opgravingscampagne.
Het opperhof: noordelijke hoektoren:
Van het eigenlijke
kasteel (opperhof) kon slechts een gedeelte
(ca. 1/4e) van de noordoostelijke hoektoren
bestudeerd worden. De bakstenen toren (gele
poldersteen 21x10-10.5x5-5.5cm) heeft een
buitendiameter van 12m en een muurdikte
van 2.30m en rust op een onderbouw die aan
de buitenzijde trapvormig verbreed.
Net ten westen van de toren werden in de
gracht, net onder de afbraak/puinlaag van
de toren, de restanten aangetroffen van
een sloep. In het verslag van pastoor-cantor
D’hooge in 1587 over het onheil dat
de geuzen vanaf 1572 aanrichtten, wordt
vermeld dat “de schuute van den casteele”
die op de wal lag tot zinken werd gebracht.
Dendrochronologisch onderzoek zal moeten
uitwijzen als de datering van de schuit
in overeenstemming kan gebracht worden met
dit historisch vastgesteld feit.
Het neerhof:
De omheiningsmuur van het neerhof heeft
een lengte van 20.74m en is in het oosten
(voorzijde) voorzien van een rechthoekige
vleugel met hoektorentje. Aan het oostelijke
einde is aan de noordkant van de omheiningsmuur
een rechthoekige vleugel voorzien van 4.65
op 6 m (buitenwerks) met op de noordoostelijke
hoek een klein ¾ rond hoektorentje
(diameter 2.5m). In de noordelijke hoek
van het torentje met de vleugel werd in
de dikte van de muur een latrine/stortkoker
ingewerkt (fig.8). De oostmuur loopt 11.10m
verder zuidwaarts en sluit aan bij de restanten
van een tweede halfronde toren, die deel
uitmaakte van het toegangscomplex tot het
voorhof waarbij men het neerhof betrad via
een brug die ter hoogte van de ingang door
wellicht twee halfronde torens werd geflankeerd.
Bouwtechnisch is de torenromp op dezelfde
manier geconstrueerd als het overige muurwerk.
In de hoek met de oostmuur stak een schuin
naar de gracht toe afhellende natuurstenen
plaat, wat wijst op een verdwenen stortkoker.
De uitvloei ervan kon nog voor een gedeelte
bemonsterd worden. Ook de noordelijke en
oostelijke gracht konden gesitueerd worden.
Wie meer wil
weten: tiende Heemkundige jaarboek van Het
Ambacht Maldegem
Met dank aan iedereen die gegevens aanleverde
voor deze bijdrage.

|