Al onder
de weg van Maldegem, malle malle
malle malle Maldegem,
al onder de weg van Maldegem daar
zat een wuf dat spon.
1. Dat wuf dat zat en spon gielegon,
dat wuf dat zat en spon
al op een houten wieleke, wiele
wiele wiele wiele wieleke,
al op een houten wieleke, daar was
geen draaiing aan, daar was geen
draaiing aan.
2. Dat wuf had een schapraai gielegaai,
dat wuf had een schapraai.
Van boven zet z’haar boterke,
bobo bobo bobo bobo boterke,
van boven zet z’haar boterke,
van onder hare kaas, van onder hare
kaas.
3. Dat wuf dat ging op zee gielegee,
dat wuf dat ging op zee.
Al op een houten lepelke, lele lele
lele lele lepelke,
al op een houten lepelke, daar was
geen steelken aan, daar was geen
steelken aan.
4. Dat wuf verdronk in zee gielegee,
dat wuf verdronk in zee.
Al in dat diepe waterke, wawa wawa
wawa wawa waterke,
al in dat diepe waterke, daar was
geen doen meer aan, daar was geen
doen meer aan.
5. Dat wuf ging naar de hel, gielegel,
dat wuf ging naar de hel.
Den duivel maakte min met haar,
minne minne minne minne min met
haar,
den duivel maakte min met haar,
zij spon met veel misbaar, zij spon
met veel misbaar.